Voor mijn afstudeeronderzoek heb ik in 2017, samen met mijn zeer gewaardeerde collega Linda Schuurman van Kattengeluk, onderzoek gedaan naar gedragsmatige verschillen tussen katten met aangeboren doofheid en horende katten.

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek beperkt zich tot katten die doof geboren zijn. Katten die later doofheid ontwikkelen hebben al een relatie met hun eigenaar en hebben al gedragingen aangeleerd. Zij lijken weinig tot geen abnormaal gedrag te ontwikkelen. (Strain, 2011)

In hoofdstuk 1 zijn de uitkomsten van het literatuuronderzoek weergegeven. Geconcludeerd moet worden dat er weinig geschreven is over het gedrag van- en de omgang met dieren met aangeboren doofheid in het algemeen en over dove katten in het bijzonder. Hoofdzakelijk is uit de gedragsonderzoeken naar voren gekomen dat de kat die aangeboren doof is visueel beter lokaliseert, de neiging heeft gedrag van de horende kat af te kijken, frequenter schrikreacties vertoont en dat er meer kans is op probleemgedrag wanneer de dove kat volwassen wordt.

In hoofdstuk 2 is de ingezette methode en materiaal beschreven. Zo kunt u hier lezen over de opzet van de enquête onder eigenaren, de vragenlijsten voor professionals, de achtergrond van de vragen en hoe de uitslagen zijn geanalyseerd. Hiervoor hebben wij de uitkomsten van de enquêtes en vragenlijsten vergeleken met wat de literatuur zegt over het gedrag van de kat met aangeboren doofheid en het natuurlijk gedrag van de kat (neutrale, horende kat) wat reeds uit wetenschappelijke onderzoeken naar voren is gekomen.  Daarnaast is naar aanleiding van de resultaten een vergelijking gedaan tussen de dove kat die alleen woont en de dove kat die met een horende soortgenoot samenleeft.

Vanuit de resultaten die te vinden zijn in hoofdstuk 3 is in de discussie (hoofdstuk 4) een analyse hiervan gemaakt met een mogelijke verklaring van de uitkomst.

Hoofdstuk 5 brengt ons bij de conclusie van het onderzoek. Hier valt te lezen dat uit ons onderzoek duidelijk naar voren komt dat bepaalde gedragingen in verband gebracht kunnen worden met de aangeboren doofheid. De deelnemers geven aan dat de katten over het algemeen luider mauwen, visueler zijn ingesteld, vaker schrikreacties vertonen en frequenter gedragingen kopiëren van soortgenoten dan neutrale, horende katten. Ook geven de deelnemers aan dat katten met aangeboren doofheid minder angstig zijn en minder stresssignalen afgeven dan katten zonder deze aandoening. Offensieve en defensieve agressie komen vaker voor in vergelijking met een neutrale horende kat. Er kan geconcludeerd worden dat bij katten met aangeboren doofheid die samenleven met één of meerdere horende soortgenoten minder angst, agressie en stresssignalen opgemerkt worden en dat het herstel na stress sneller geschiedt.

Omdat er gedragsmatige verschillen uit dit onderzoek zijn gekomen, loont het de moeite een nader observationeel onderzoek te doen. Gedragstherapeut(en) zouden dieper in kunnen gaan op wélke gedragingen precies verschillend zijn. Wanneer eigenaren en feline gedragstherapeuten zich van die gedragingen bewust zijn, kunnen zij gerichter werken in de omgang met- en adviezen voor de dove kat. Hierover staat meer geschreven aan het eind van hoofdstuk 5.

Tot slot staan in hoofdstuk 6 adviezen over hoe men met dove katten om kan gaan. Dit zijn onder andere tips over het benaderen van- en communiceren met de dove kat ter verbetering van zijn welzijn.

Wilt u het volledige onderzoeksverslag lezen? Neem dan contact met mij op.

 

©Fieke Halberstadt, 2018

Volg Kat&Mens op Facebook